Onderwijs is een fundamenteel individueel mensenrecht, opgenomen in onder andere de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (art. 26); Het VN-Kinderrechtenverdrag (art. 28) en het VN-Vrouwenrechtenverdrag (art. 10). Op 26 mei trekken we naar de stembus. Om het Belgische beleid duurzaam en inclusief te maken, stelden we een agenda voor kinder- en meisjesrechten op voor de kandidaten. Ontdek hieronder de aanbevelingen van Plan International België.

Het recht van meisjes op inclusief en kwaliteitsvol onderwijs: een prioriteit voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking

De internationale gemeenschap heeft in het kader van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG 4), aangenomen in 2015, grote ambities vastgelegd inzake onderwijs: volledige cyclus basis – en secundair onderwijs, voorschools onderwijs, technisch – en beroepsonderwijs; wegwerken van genderongelijkheid…

Inclusief en kwaliteitsvol onderwijs, vanaf een jonge leeftijd, heeft een multiplicatoreffect op de duurzame ontwikkeling van de Belgische partnerlanden: het zorgt voor inclusieve sociale en economische groei, respect voor gendergelijkheid en mensenrechten en vredesopbouw en burgerschap. Het laat kinderen en jongeren ook toe om de complexiteit van hedendaagse uitdagingen, zoals de klimaatverandering, beter te begrijpen en uitdagingen zelf het hoofd te bieden.

Ondanks de gerealiseerde inspanningen van de laatste decennia gaan 263 miljoen kinderen en adolescenten over de hele wereld nog steeds niet naar school. De meerderheid van hen woont in Sub-Sahara Afrika, de regio waar de Belgische ontwikkelingssamenwerking voornamelijk actief is.  

In de Belgische partnerlanden blijft het aantal kinderen dat niet naar de lagere school gaat bijzonder hoog. Dit is onder andere het geval in Mali: daar gaat het om 39% van de kinderen. Daarenboven stromen veel kinderen die de lagere school wel afmaken niet door naar het middelbaar onderwijs. Tanzania en Niger zijn frappante voorbeelden. De bruto inschrijvingsgraad op het einde van het lager onderwijs is er respectievelijk 73% en 58%, maar zakt tot respectievelijk 35% en 12,5% in het laatste studiejaar van de eerste cyclus van het secundair onderwijs. 

Bovendien vormt de kwaliteit van het onderwijs een probleem. Wereldwijd beschikken meer dan 617 miljoen kinderen en jongeren niet over de basiscompetenties in lezen en wiskunde, terwijl het merendeel van hen wel naar school gaat. In partnerland Niger beschikt minder dan een op de tien kinderen over de basiscompententies in lezen en rekenen op het einde van het lager onderwijs. 

Tot slot worden de Belgische partnerlanden geconfronteerd met een belangrijke demografische uitdaging. In sommige landen, waaronder Benin en Niger, is meer dan de helft van de bevolking jonger dan 18 jaar. En deze bevolkingsgroei zet zich voort. Zo zal tegen 2050 de Democratische Republiek Congo een van de meest bevolkte landen zijn en zal de helft van de wereldbevolking in negen landen wonen, waaronder DRC, Tanzania en Oeganda. Schoolinfrastrucuren, die nu reeds zeer gelimiteerd zijn, zullen nog meer onder druk komen te staan door een steeds groter aantal kinderen.

Focus 1: onderwijs vanaf een jonge leeftijd

Er bestaat een brede wetenschappelijke en politieke consensus over het belang van interventies gericht op onderwijs en opvoeding van het jonge kind, zowel op internationaal niveau als in België en in verschillende partnerlanden.

Om te kunnen overleven en zich te ontplooien in de eerste levensjaren heeft het jonge kind niet enkel nood aan voeding en adequate zorg, maar ook aan een stimulerende omgeving die het toelaat om te ontdekken en te leren, thuis, via spelen of in het kader van (voorschools) onderwijs. De eerste 2.000 dagen van ons bestaan zijn allesbepalend. Tijdens deze periode worden verbindingen tussen neuronen gemaakt die de basis vormen voor complexere leerprocessen later. Wanneer we de leeftijd van 3 jaar bereikt hebben, zijn reeds 85% van de fundamentele hersenstructuren ontwikkeld.

Desalniettemin hebben naar schatting 85% van de kinderen in lage-inkomenslanden geen toegang tot kleuteronderwijs, terwijl 82% van de kinderen in hoge-inkomenslanden dat wel hebben. De verschillen tussen regio’s zijn ook belangrijk: een kind geboren in Latijns-Amerika of in de Caraïben heeft twee keer zoveel kans om naar de basisschool te gaan dan een kind dat geboren is in Sub-Sahara Afrika.

Het is bewezen dat interventies voor onderwijs en opvoeding van het jonge kind een positieve invloed hebben op het latere schoolparcours. Tevens bieden ze een dubbel potentieel voor het streven naar meer gelijkheid tussen meisjes en jongens:

  • Op het niveau van jonge kinderen, enerzijds, laten de interventies toe in te spelen op de ontwikkeling van meisjesbaby’s, die anders minder toegang tot zorg zouden hebben dan jongens. Ze kunnen ook genderstereotypen, die aangeleerd worden tijdens deze eerste socialisatieperiode (bijvoorbeeld via spelen of leesmateriaal), in vraag stellen.
  • Op het niveau van de ouders, zeker wanneer zij zelf tieners zijn, bieden de interventies niet alleen directe voordelen, maar spelen ze ook een rol in de empowerment van de jonge moeder (die bijvoorbeeld de mogelijkheid krijgt om opnieuw naar school te gaan of een job te zoeken) en in het in vraag stellen van de traditionele verdeling van huishoudelijke taken (tussen de ouders, maar ook tussen de oudste broers en zussen).

Daarnaast stellen we ook een belangrijke wederzijdse relatie vast tussen de ontwikkeling van het kind en de situatie van de jonge moeder:

  • Enerzijds heeft het opleidingsniveau van de moeder een positieve invloed op de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
  • Anderzijds kunnen interventies voor onderwijs en opvoeding van het jonge kind ook bijdragen aan het verbeteren van de geestelijke gezondheid van de moeder, wat essentieel is tijdens de eerste maanden van de ontwikkeling van het kind, wanneer de verbindingen gecreëerd worden die noodzakelijk zijn voor de verdere hersenontwikkeling.

Op economisch vlak heeft het werk van professor Heckman, Nobelprijswinnaar economie in 2000, aangetoond dat elke euro of dollar die geïnvesteerd wordt in het jonge kind meer opbrengt dan wat de overheid besteedt aan onderwijs in een later stadium.

Toch stellen we jammer genoeg vast dat onderwijs en opvoeding van het jonge kind geen prioriteit is voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Dit is ook niet het geval voor de buitenlandse politiek van de Gemeenschappen, bestuursniveaus die zich gezien hun bevoegdheden nochtans bewust zijn van het belang van deze thematiek.

Focus 2: voor onderwijs dat genderrelaties verandert

Scholen kunnen fantastische vectoren zijn om de maatschappij te veranderen wanneer we een echte verandering van genderrelaties, én de onderliggende machtsongelijkheid, in en door het onderwijs nastreven.

Wereldwijd gaan bijna 200 miljoen jongeren die de leeftijd voor het middelbaar onderwijs hebben niet naar school. De meerderheid zijn meisjes. Genderpariteit is in 66% van alle landen bereikt voor het lager onderwijs, maar slechts in 45% van de landen voor de eerste jaren van het middelbaar onderwijs en in 25% voor de laatste jaren. De percentages van niet-schoolgaande jongeren liggen het hoogst in Sub-Sahara-Afrika.

De discriminaties waar meisjes het slachtoffer van zijn, kunnen soms versterkt worden door andere discriminaties, bijvoorbeeld op basis van een lichamelijke of geestelijke beperking; armoede of maatschappelijke kwetsbaarheid; het behoren tot een minderheidsgroep; etc. Volgens de UNESCO heeft een derde van de niet-schoolgaande kinderen die de leeftijd hebben voor de lagere school een beperking (Education Commission Report 2016).

Investeren in onderwijs voor meisjes brengt nochtans verschillende voordelen voor de duurzame ontwikkeling van de partnerlanden met zich mee. Jonge vrouwen die kwaliteitsvol middelbaar onderwijs genoten hebben, lopen drie keer minder risico om uitgehuwelijkt te worden dan meisjes die niet of weinig naar school zijn gegaan. Ze krijgen minder kinderen, en dat op een latere leeftijd, en zijn beter in staat om hen te beschermen tegen bepaalde schadelijke praktijken, zoals genitale verminking. Jonge vrouwen die kunnen lezen zijn ook gezonder en hun kinderen hebben vijf keer meer kans om te overleven dan de kinderen van ongeletterde moeders. Geschoolde vrouwen sturen daarenboven hun kinderen vaker naar school en zijn zelf economisch onafhankelijker.

In onze partnerlanden worden meisjes met meer hindernissen geconfronteerd dan jongens. Hun opleiding wordt bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt, voornamelijk vanaf de adolescentie, door sociale normen, genderdiscriminatie, gendergerelateerd geweld op school, kindhuwelijken en vroegtijdige zwangerschappen of een gebrek aan schoolinfrastructuren en sanitaire voorzieningen die aangepast zijn en niet te ver liggen. In Niger, bijvoorbeeld, zien we dat de bruto scholingsgraad van 58% naar 12% daalt tussen het laatste jaar van de lagere school en de eerste cyclus van het middelbaar onderwijs. Wanneer we dat laatste cijfer per geslacht opsplitsen, zien we dat nog 15% van de jongens ingeschreven is tegenover 10% van de meisjes. In Oost- en Centraal-Afrika begint naar schatting slechts 36% van de meisjes aan de middelbare school. In heel Sub-Sahara-Afrika maakt slechts 1 meisje op 4 de middelbare school af.

Om dit fenomeen te bestrijden moeten ook maatregelen genomen worden in de scholen: strijden tegen gendergerelateerd geweld tussen leerlingen en in het kader van relaties met het onderwijspersoneel, voorzien van aangepaste infrastructuur zoals veilige slaapzalen of aparte toiletten voor meisjes (voornamelijk om te strijden tegen absenteïsme van meisjes wanneer ze hun maanstonden hebben), voorzien van lessen rond seksuele en reproductieve rechten, etc.

Bovendien verdient de kwetsbare situatie van meisjes in noodsituaties bijzondere aandacht. In 2015 gingen 39 miljoen meisjes niet naar school door conflict of natuurrampen, situaties waarvan is aangetoond dat meisjes en vrouwen er een hogere tol voor betalen. De risico’s die gelinkt zijn aan voedselonzekerheid, mede veroorzaakt door de klimaatverandering, hebben ook een grotere impact op meisjes. Meisjes worden dan bijvoorbeeld van school gehaald om huishoudelijke – of landbouwtaken uit te voeren, of om uitgehuwelijkt te worden.

Focus 3: empowerment van meisjes via toegang tot waardig werk

In het volgende decennium zullen 1 miljard jongeren op de arbeidsmarkt komen, terwijl er reeds 650 jongeren zijn die vandaag niet werken en geen opleiding volgen. 

Het is essentieel om meisjes te empoweren via technische – en beroepsopleidingen door strategieën te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat meisjes toegang hebben tot de opleidingen, de opleidingen kunnen afmaken, en kunnen deelnemen aan overgangsactiviteiten om waardig werk te vinden. Hiervoor moeten verschillende vragen tegelijk beantwoord worden – zowel op niveau van de gezinnen en gemeenschappen als op het beleidsniveau. 

Programma’s die enkel op een onderdeel van de problematiek focussen, zullen hun doelstellingen niet behalen. De opleiding van meisjes kan bijvoorbeeld ingekort worden wanneer bepaalde omstandigheden hen verhinderen om hun school af te maken of hen niet toelaten om waardig werk te vinden dat correct betaald wordt.

Middelen komen uitdagingen niet tegemoet

Onderwijs is een van prioritaire sectoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. In juli 2017 nam het Federale Parlement unaniem een resolutie aan die onderwijs voor meisjes als een fundamentele hefboom voor menselijke ontwikkeling erkent. Recentelijk lanceerde ook de minister van Ontwikkelingssamenwerking een projectoproep specifiek gericht op onderwijs voor meisjes.

Desalniettemin worden er niet genoeg middelen vrijgemaakt om de uitdagingen tegemoet te komen. Terwijl verschillende landen (zowel donors als ontvangers) hun engagement voor onderwijs in partnerlanden hebben versterkt, blijft in België het aandeel van onderwijs in het totaalbudget van DGD achter en stagneert het sinds het begin van dit decennium op 7%. In absolute cijfers wil dat zeggen dat het budget van 94,1 M€ in 2010 naar 81,4 M€ in 2016 is gegaan.  

De ondersteuning die de Gemeenschappen bieden aan onderwijs in de partnerlanden is minder systematisch dan de ondersteuning die de federale overheid biedt. De laatste hervorming van het Vlaams kaderdecreet voor ontwikkelingssamenwerking (in werking getreden op 1 januari 2019) heeft bijvoorbeeld de transversale thema’s, waar onderwijs deel van uitmaakte sinds 2016, geschrapt.           

aanbevelingen

  1. Steun via akkoorden afgesloten met de partnerlanden en via de Belgische deelname aan multilaterale instellingen de toegang van meisjes tot inclusief kwaliteitsvol onderwijs dat genderrelaties verandert.
  2. Maak extra middelen vrij voor steun aan het onderwijs door een verhoging van de Belgische ontwikkelingshulp tot 0,7% van het BNI. Daarbij moet:
  • minstens 10% van het budget voor Belgische ontwikkelingssamenwerking naar onderwijs gaan tegen 2020 en 15% tegen 2030;    
  • minstens 4% van de humanitaire hulp voorzien worden voor onderwijs in noodsituaties, met speciale aandacht voor de noden van (adolescente) meisjes.
  1. Ondersteun de invoering (en effectieve werking) van een politiek voor onderwijs en opvoeding van het jonge kind in de partnerlanden.
  2. Verbeter de kwaliteit van het onderwijs, zowel in termen van leerresultaten als in het creëren van veilige en participatieve schoolomgevingen, de opleiding van leerkrachten, de lessenprogramma’s en pedagogische instrumenten, met het oog op het behalen van de doelstellingen van wereldburgerschapseducatie, duurzame ontwikkeling, gendergelijkheid en kinderrechten.   
     
  3. Ondersteun maatregelen die de verderzetting van onderwijs van meisjes verbeteren
  • Door te strijden tegen discriminerende maatregelen die meisjes beletten om naar school te gaan. 
  • Door het ondersteunen van de mobilisering van de maatschappij in de partnerlanden (kinderen en jongeren; ouders; lokale verantwoordelijken): om onderwijs voor meisjes te garanderen en om gendergerelateerd geweld te bestrijden.
  • Door het ondersteunen van de verbetering van onderwijssystemen in de partnerlanden, bijvoorbeeld door te strijden tegen gendergerelateerd geweld gepleegd door onderwijspersoneel of andere leerlingen, aangepaste infrastructuur (slaapzalen, aparte toiletten, …) te creëren, stereotypen in schoolboeken te deconstrueren, etc.   
  1. Promoot de integratie van lessen over seksuele opvoeding, zodat jongens en meisjes informatie kunnen verkrijgen en de juiste vaardigheden kunnen ontwikkelen om beslissingen te nemen over hun eigen lichaam, hun relaties en hun seksualiteit, en zich te beschermen tegen druk, geweld en discriminatie.
  2. Ontwikkel of ondersteun programma’s voor technische – en beroepsopleidingen met het doel om meisjes en jonge vrouwen te empoweren en hen toegang te bieden tot waardig werk.
  3. Stimuleer de overgang naar onderwijssystemen die milieubewuster zijn (Green & Safe schools die op een ecologisch verantwoorde manier gebouwd en onderhouden worden, de klimaatopwarming in de curricula opnemen, kinderen beschermen in het geval van natuurrampen, …)
  4. Moedig het gebruik van ICT-hulpmiddelen aan op een gelijkwaardige en inclusieve manier, om zo onderwijs te ondersteunen en om kwetsbare kinderen en jongeren toegang te bieden tot informatie en vaardigheden die cruciaal zijn voor hun kritische zin en hun deelname aan de arbeidsmarkt.

Wilt u meer weten?

Roméo Matsas - Ontwikkelingssamenwerking en onderwijs en algemene coördinatie
02 504 60 12
romeo.matsas@planinternational.be

Download ons memorandum (pdf, 28 p. 1,1 Mb)

Vind je dit artikel interessant? Deel het met je vrienden!